domein

Beeldende kunst

Laatste update: 16 november 2020
Auteur: Rogier Brom

N.B. Deze pagina is nog in ontwikkeling, en zal in de loop van 2021 verder worden uitgebreid en geactualiseerd. De huidige tekst is een bewerking van het artikel ‘Beeldende kunst: weg van gebaande paden’ dat eind 2019 verscheen in De Staat van Cultuur 4. Op enkele punten is de informatie hieruit aangevuld met recentere data, ontwikkelingen en enige (voorlopige) inzichten over de impact van de coronacrisis op de beeldende kunstsector.

1. Trends en ontwikkelingen

Een precaire beroepsgroep

Van alle kunstenaarsberoepen vormen de beeldend kunstenaars al jarenlang de kleinste groep. Van alle alumni van HBO kunstopleidingen hebben ze aan het begin van hun carrière bovendien het laagste bruto maandinkomen en zijn daarbij het minst vaak uitsluitend werkzaam in hun eigen vakgebied (Vinken et al. 2019). Beeldend kunstenaars lijken dan ook een precaire arbeidspositie te hebben in een sector waar zulke precariteit toch al veel voorkomt (Rasterhoff et al. 2020).

In deze tekst wordt breder gekeken naar het domein beeldende kunst dan alleen naar beeldend kunstenaars. Deze makers vormen daarbinnen echter wel de focus. Hoewel er geprobeerd wordt om via de Fair Practice Code en het gebruik van de richtlijn kunstenaarshonoraria de arbeidsmarktpositie van kunstenaars te versterken, zijn er verschillende factoren te identificeren die dit proces bemoeilijken. Een daarvan is dat de infrastructuur waarbinnen het verbeteren van deze positie gerealiseerd moet worden, gedeeltelijk onder druk staat.

Versteviging inkomenspositie kunstenaars

In 2017 werd door Beeldende Kunst Nederland (BKNL) de richtlijn kunstenaarshonoraria in het leven geroepen. Dit gebeurde mede als reactie op het vaak achterblijven van uitbetaling aan kunstenaars bij hun deelname aan een tentoonstelling zonder verkoopdoel en hun lastige onderhandelingspositie daarbij (Teesing et al. 2014; Boonzaaijer et al. 2015). Deze richtlijn biedt gereedschappen om tot fair practice te komen in de beeldende kunst. Ze wordt inmiddels door alle kunstmusea gehanteerd en heeft navolging gevonden in andere culturele sectoren (BKNL 2019). De resultaten uit een onderzoek naar de voorlopige effecten van de richtlijn kunstenaarshonoraria tonen voorzichtig dat deze een positief effect heeft op de inkomens van beeldend kunstenaars. Ook laat dit onderzoek zien dat instellingen die de richtlijn hanteren er positiever over zijn dan de instellingen die dit niet doen (Peursem et al. 2018).

Wellicht maakt onbekend onbemind. Het zou echter ook kunnen dat de instellingen die de regeling niet gebruiken gewoonweg niet in staat zijn de bijbehorende bedragen aan de kunstenaars te betalen. Compensatie voor de extra kosten van het hanteren van de richtlijn is voor instellingen beschikbaar via een tijdelijk experimenteerreglement van het Mondriaan Fonds. Deze regeling wordt in de nieuwe beleidsperiode (2021-2024) niet omgezet in een structurele bijdrage. Wel krijgen presentatie-instellingen die vanaf 2021 in de BIS zitten of door het Mondriaan Fonds worden ondersteund, structureel aanvullend budget voor honoraria voor kunstenaars. Het lijken echter voornamelijk de kleinere presentatie-instellingen te zijn die financiële ondersteuning nodig hebben om tot fair pay te komen: bij kleine en middelkleine presentatie-instellingen blijkt onbetaald overwerk veel en bovendien structureel voor te komen (Wolters et al. 2019).

Borging van betalingsafspraken via subsidies

Een van de weigeringsgronden voor financiering vanuit de BIS is het niet onderschrijven van de Fair Practice Code. Bij de bijdrage Meerjarenprogramma’s musea en overige erfgoedinstellingen is het gebruik van de richtlijn kunstenaarshonoraria verplicht bij betrokkenheid van kunstenaars. Met zulke maatregelen lijkt op rijksniveau het naleven van de betalingsafspraken dan ook goed geborgd. Bij gemeenten is het moeilijker hierin een eenduidige lijn te trekken. Kijkend naar de vier grote gemeenten in Nederland, lijkt de gemene deler dat de sector zelf een deel van de verantwoordelijkheid draagt voor het naleven van de code die zij zelf heeft opgesteld (Gemeente Amsterdam 2020, Gemeente Den Haag 2019, Gemeente Rotterdam 2019, Gemeente Utrecht 2019). Een ander punt dat bij de gemeenten vaker terug komt, is dat om een proportionele inzet van de Fair Practice Code wordt gevraagd. Dit houdt in dat er een goed onderbouwde aanpak wordt gevraagd die aansluit bij de omvang van de organisatie. Daarbij wordt aangegeven dat fair pay boven ‘nieuwe ambities of extra output gaat’ (Rotterdam), of boven ‘bezoekcijfers, aantal producties en voorstellingen’ (Den Haag).

Het verschil in hoe strikt eerlijke betaling wordt nagestreefd, is van belang. Binnen de 616 musea die Nederland in 2018 kende, waren er 83 die door het Mondriaan Fonds als kunstmuseum werden bestempeld. Ten opzichte van andere musea vormen bij deze kunstmusea subsidies een relatief groot deel van de inkomsten. Een groot deel van de gemeentelijke subsidies aan beeldende kunst en vormgeving gaat dan ook naar kunstmusea (Vinkenburg et al. 2018). Dit zou voor de gemeenten dan ook een goede weg zijn om via heldere afspraken bij subsidiëring de arbeidsmarktpositie in de beeldende kunstsector te versterken.

Scheefgroei in de kunstmarkt

Tot op de dag van vandaag is de markt voor beeldende kunst in Europa en de VS het grootst; 79 procent van alle kunstbeurzen vindt daar bijvoorbeeld plaats (McAndrew 2020). Het zijn daarmee echter ook de plaatsen met een steeds sterkere winner takes all-dynamiek die zich vooral in de internationale relaties toont (Janssens et al. 2019). De totale waarde van transacties op de kunstmarkt is over het geheel genomen wereldwijd de afgelopen jaren gestegen (McAndrew 2016 en 2019). Dat de totale kunstmarkt booming is, wil echter niet zeggen dat het alle betrokkenen voor de wind gaat. Pier Luigi Sacco verwoordt het duidelijk in een artikel dat hij schreef voor het Vlaamse Kunstenpunt [4]: ‘this does not mean that, compared to a decade ago, the average contemporary artist stands a better chance of making a living through the arts. In fact, given the high cost of keeping up with the growing demands of the art system, […] they might actually stand less of a chance’ (Sacco 2018, 48). Kunstenpunt illustreert daarbij in een publicatie over de positie van de kunstenaar de praktijk van scheefgroei in de kunstmarkt: ‘door stijgende kosten in de galeriewereld […] kunnen kleine en middelgrote galeries minder investeren in nieuw werk, terwijl de grote galeries die profiteren van de stijgende prijzen van gevierde kunstenaars dat wel kunnen, en voor steeds grotere bedragen’ (Hesters 2019, 25). 

Er zijn enkele signalen dat de Nederlandse beeldende kunstsector binnen deze dynamiek grotendeels aan het kortste eind trekt. Behalve dat er steeds minder Nederlandse galeries op belangrijke internationale kunstbeurzen staan, zijn het overleden kunstenaars als Piet Mondriaan en Bas Jan Ader die de gemiddelde ranking van Nederlandse kunstenaars in de ArtFacts Top 1000 omhoog sturen. Tegelijkertijd bevat de lijst een steeds kleinere groep nog levende kunstenaars: een constante daling van 18 levende kunstenaars in 2005, naar 12 in 2017. Nieuwe Nederlandse namen komen nog amper in de buurt van een notering in deze top 1000. Daarnaast daalt de gemiddelde omzet van Nederlandse galeries en verjongt de totale samenstelling van deze galeries (Jonge 2017). Deze twee zaken kunnen tot op zekere hoogte samenhangen, afgaand op het wereldwijde beeld dat jongere galeries minder omzet halen. Daarnaast worstelen galeries met de hegemonie van kunstbeurzen; de markt is er te veel op gefocust om er niet aan deel te nemen, maar deelname is tegelijkertijd riskant en kostbaar (Velthuis 2020). De coronacrisis heeft het internationale beurzencircuit dit jaar stilgelegd dan wel naar het digitale domein verplaatst. De effecten hiervan zijn in het bovenstaande nog niet verwerkt.

Gelijke kansen

Afgelopen april kopte een artikel in het Vlaamse Rekto:Verso ‘Seksisme in de beeldende kunst in cijfers’. Het artikel geeft een genuanceerd beeld van de redenen waarom veel vrouwelijke beeldend kunstenaars uitvallen voordat hun carrière kan floreren. De ongelijkheid in kansen tussen mannen en vrouwen blijkt onder meer terug te voeren op de ongelijke representatie van vrouwelijke kunstenaars op kunstbeurzen. Het artikel toont aan dat 95 Vlaamse kunstgaleries gemiddeld voor maar 15 procent vrouwelijke kunstenaars vertegenwoordigen. ‘Dat laat zich voelen in de pocket: mannelijke kunstenaars in Vlaanderen tussen de 45 en 54 jaar hebben een gemiddeld jaarinkomen van € 24.000, bij vrouwen is dat € 13.500’ (Van Boxelaere 2019). Ook in Nederland verdienen vrouwelijke beeldend kunstenaars gemiddeld aanzienlijk minder dan hun mannelijke collega’s (Vinken et al. 2019). Met een gemiddeld bruto jaarinkomen van 14.790 euro hebben de mannen het weliswaar niet breed, maar dit is nog altijd een derde meer dan de 9.860 euro die de vrouwen gemiddeld per jaar verdienen. Van Boxelaere schetst daarnaast dat vrouwelijke kunstenaars in Vlaanderen eerder stranden in hun tocht naar een succesvolle carrière. Of dat in Nederland ook zo is, is moeilijk te zeggen. Wel wordt uit cijfers van het CBS duidelijk dat vrouwelijke kunstenaars sterk in de meerderheid zijn bij de parttime werkende kunstenaars, en dat hun mannelijke collega’s een groter deel vormen van de fulltime werkende kunstenaars.

Een ander effect op individuele kunstenaars is dat er wereldwijd een voorkeur lijkt te zijn om op kunstbeurzen mannelijke kunstenaars te tonen. Dit is schadelijk voor de carrière van vrouwelijke kunstenaars, voornamelijk wanneer zij als mid-career kunstenaar willen doordringen tot de gevestigde namen (McAndrew 2019). Ook Nederlandse galeries lijken op internationale beurzen overwegend meer mannen te tonen (Brom 2019). 

2. Wat willen we verder weten over de beeldende kunstsector?

De coronacrisis heeft ook binnen de beeldende kunstsector sporen nagelaten. De marges in de sector zijn klein. We willen een beter beeld hebben van de samenstelling van de inkomsten van beeldend kunstenaars en de kosten die ze moeten maken.

Om hier beter zicht op te krijgen is het voornemen een panelonderzoek op te zetten naar de arbeidsmarktpositie van makers en andere werkenden in de culturele en creatieve sector.

Dit is ook nodig om in te schatten hoe groot het risico is dat huurders van ateliers en broedplaatsen hun huur niet meer kunnen betalen. Een belangrijk onderdeel van de culturele keten zal wegvallen als kunstenaars hun atelierhuur niet kunnen ophoesten, en daarmee het maatschappelijk vastgoed waarin broedplaatsen en andere culturele verzamelgebouwen zijn gehuisvest niet voldoende wordt ondersteund.

Daarmee hangt samen dat bij gesprekspartners een sterke behoefte is aan gegevens over de precieze gevolgen van de Fair Practice Code. Hoeveel kunstenaars zouden er met de code bijvoorbeeld op vooruit gaan? Hoe zit het met de kunstenaars die niet met instellingen in aanraking komen? Worden ook de aard van het werk en de inkomsten van de overige werkenden in de sector beïnvloed, en zo ja, hoe?

Tenslotte is ook meer inzicht in het publiek voor beeldende kunst belangrijk. Wie vormen dit publiek, en wat zijn hun motivaties? Het verzamelen van publieksdata wordt bemoeilijkt doordat activiteiten in de beeldende kunstsector vaak gratis zijn, waardoor geen informatie uit bijvoorbeeld kassasystemen beschikbaar is. Hierbij zouden ook betere gegevens beschikbaar moeten komen over de beoefening van beeldende kunst in de vrije tijd: gegevens die aansluiten bij de hedendaagse kunstpraktijk die veelvormiger is dan meer traditionele vormen als schilderen of beeldhouwen.

3. Meer weten over het domein beeldende kunst?

Als onderdeel van de cultuurmonitor ontwikkelt de Boekmanstichting een database waarin een groot aantal cultuurcijfers op een gemakkelijke manier is terug te vinden. Wanneer deze is afgerond en ontsloten is, zal op deze plek een koppeling naar deze database worden opgenomen.

4. Literatuur